CAM 1
--
CAM 2
--

Vrijwillig afgeven beelden maakt vordering onnodig
20-07-2010

Beelden van een vechtpartij zijn toelaatbaar als bewijsmateriaal als deze vrijwillig zijn afgegeven, aldus de rechtbank in Amsterdam.

In het kort: als je als eigenaar van een camerasysteem zelf aan de politie aanbiedt opgenomen beelden te gebruiken, mag de politie die beelden gebruiken. Ze hoeven die beelden dan niet te vorderen voordat ze in opsporingsonderzoeken gebruikt mogen worden.

Beelden getoond en op cd-rom gebrand
Het gevecht vond plaats op straat, voor de deur van een bedrijf waar aan de gevel een beveiligingscamera was bevestigd. Daarmee zijn beelden van het gevecht gemaakt. Een werknemer van het bedrijf - waar het slachtoffer ook werkte, heeft de beelden vrijwillig aan de politie getoond. Hij zei toen ook dat de beelden op een cd-rom zouden worden gebrand, die ter beschikking zou worden gesteld aan de politie. De politie maakte een proces-verbaal op aan de hand van de ter plekke bekeken beelden. Datzelfde gebeurde aan de hand van de later in beslag genomen en bekeken cd-rom. Beide processen-verbaal zijn aan het dossier toegevoegd.

Onrechtmatig verkregen beelden
De advocaat van een verdachte was van mening dat beelden waarop te zien was dat haar client iemand in elkaar schopte door de politie hadden moeten worden gevorderd. Dat dit niet was gebeurd, betekende volgens haar dat de beelden onrechtmatig waren verkregen. De rechtbank was het niet met haar eens.

 

Fruit of the poisonous tree
De raadsvrouw vond dat voor een rechtmatige verkrijging van de camerabeelden een vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering vereist was, nu met het gebruik van de camerabeelden een opsporingsbelang werd gediend. Omdat die vordering ontbreekt, is de raadsvrouw van mening dat de camerabeelden onrechtmatig zijn verkregen. Verdachte heeft volgens de raadsvrouw een bekennende verklaring afgelegd na confrontatie met die camerabeelden. Deze verklaring moet daarom volgens de raadsvrouw, als 'fruit of the poisonous tree', worden uitgesloten van het bewijs.

Wbp is niet bepalend
De officier van justitie heeft betoogd dat geen vordering vereist was, omdat de werknemer de beelden op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) mocht verstrekken aan de politie, in verband met het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Dat standpunt is naar het oordeel van de rechtbank, in dit geval, op zichzelf genomen juist. Opgemerkt moet echter worden, dat de Wbp ziet op de vergaring en verwerking van persoonsgegevens en als zodanig geen bevoegdheden van politie en het Openbaar Ministerie regelt. Dat betekent dat zelfs beelden die in strijd met de Wbp worden verstrekt, niet meteen onrechtmatig zijn in een strafrechtelijk onderzoek.

Vrijwillig gegevens verstrekken
Volgens de rechtbank heeft de wetgever met de invoering van de 'regeling van bevoegdheden tot het vorderen van gegevens' een duidelijk wettelijk kader willen geven waarbinnen de politie en officier van justitie moeten handelen bij het vorderen van gegevens. Het was kennelijk een oplossing voor de problemen voortvloeiend uit de tot dan toe bestaande praktijk waarbij de politie derden verzocht om ´vrijwillig´ gegevens te verstrekken. Dit leidde, onder andere tot de onwenselijke situatie dat deze derde een afweging moest maken of er een dwingende en gewichtige reden was die verstrekking van de gegevens noodzakelijk maakte, terwijl deze derde hiertoe vaak onvoldoende in staat was omdat hij niet goed op de hoogte was van de achtergrond van de zaak. Niettemin heeft de wetgever, bij monde van minister van justitie Donner in 2004 uitdrukkelijk de mogelijkheid open willen laten dat vrijwillig gegevens worden verstrekt en, zo begrijpt de rechtbank, nadien rechtmatig door politie en justitie worden gebruikt.

Eigen initiatief
Of sprake is van een vrijwillige verstrekking van persoonsgegevens zal afhangen van de omstandigheden. In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat het bedrijf zelf het initiatief heeft genomen de camerabeelden aan de politie ter beschikking te stellen, om zo de daders van de mishandeling te kunnen opsporen. Een vordering op basis van artikel 126nd of 126nf Sv was dan ook niet vereist, zodat het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

Bron: Rechtspraak.nl.

Dossiers: Ondernemers, Wetgeving, Politie

Deel

ShareThis

Lees ook